De piek van de taalkundige diversiteit op de planeet viel niet in het verre paleolithische verleden, maar in de periode tussen een- en drieduizend jaar geleden. Juist toen, volgens een nieuw onderzoek, klonken er op aarde tienduizenden talen — veel meer dan de ongeveer zevenduizend vijfhonderd die vandaag worden gebruikt.
Wetenschappers uit Spanje, de Verenigde Staten en Duitsland reconstrueerden de veranderingen in het taallandschap van de afgelopen twaalfduizend jaar. Zij baseerden zich op etnografische gegevens over traditionele samenlevingen, schattingen van de bevolkingsomvang in het holoceen en statistische modellering. De resultaten zijn gepubliceerd in het tijdschrift Science en tonen aan: de teruggang begon lang vóór de Europese kolonisatie en viel samen met de groei van grote staten en rijken.
De uitbreiding van zulke formaties leidde tot blijvende contacten tussen voorheen geïsoleerde groepen. Dominante talen verspreidden zich samen met politieke instellingen, technologieën en soms ziekten. Kleine gemeenschappen konden worden opgeslokt of verdrongen, en hun talen werden niet meer doorgegeven aan volgende generaties. Het Romeinse Rijk is een van de voorbeelden die vaak in discussies worden genoemd, hoewel het model geen concrete verliezen aan afzonderlijke staten koppelt.
‘Het meest onverwachte resultaat is hoe recent de piek lijkt’, merkt taalkundige Claire Bowern van Yale University op. Na het maximum volgde een scherpe inkrimping, vooral in de laatste tweeduizend jaar. De Europese kolonisatie versterkte het proces ongetwijfeld, maar de wortels reiken dieper — tot in het tijdperk van de eerste multinationale mogendheden.
De hedendaagse talen komen naar voren als overlevenden van een grootschalige en selectieve historische ‘flessenhals’. Dit betekent dat veel kenmerken van moderne talen juist verbreid kunnen zijn omdat de sprekers van die talen ooit hun invloed uitbreidden. Het mondiale model geeft geen exacte volkstelling van oude talen en maakt het niet mogelijk specifieke oorlogen of epidemieën als schuldigen van afzonderlijke verliezen aan te wijzen.
Het onderzoek benadrukt: de taalkundige diversiteit groeide samen met de bevolking in de periode van het ontstaan van de landbouw, maar daarna begon de politieke centralisatie haar te verminderen. De vraag in hoeverre de huidige talen representatief zijn voor de hele geschiedenis van de mensheid blijft open en vraagt om verdere precisering.
Inzicht in deze processen helpt nauwkeuriger te beoordelen welke kenmerken van talen en culturen wij als universeel beschouwen en welke als het resultaat van historische selectie.
