In de oude stad Kainua nabij Bologna hebben archeologen een bijzondere ontdekking gedaan: in een heilige zone gewijd aan de godin Uni vonden zij een put die niet louter als waterbron diende, maar als het middelpunt van complexe rituelen die het dagelijks leven met religie verbonden. Op de bodem van de schacht lagen twee bronzen vrouwenbeeldjes — met meesterlijke fijnheid vervaardigd, gegoten in brons en wonderbaarlijk goed bewaard gebleven. Daarnaast lag een zeldzame bronzen plaat, waarvan de vorm en het ornament verbonden zijn met cultuspraktijken. Gedurende tweeënhalf millennium heeft het water het metaal beschermd en de oorspronkelijke glans behouden — alsof de tijd hier heeft stilgestaan.
De opgravingen stonden onder leiding van Elisabetta Govi, hoogleraar etruscologie aan de Universiteit van Bologna, waar sinds 1988 systematisch onderzoek naar Kainua wordt verricht. De vondst werd gedaan tijdens de 39e veldcampagne. Volgens Govi wijzen de artefacten op een plechtige openingsceremonie van de put ter gelegenheid van de stichting van de stad — waarschijnlijk tussen het einde van de zesde en het begin van de vijfde eeuw voor Christus.
De Etrusken hechtten, net als veel oude volkeren, een enorm belang aan symbolische handelingen die de overgang markeerden van de oerchaos naar een geordende stad. De bronzen beeldjes personifieerden de godin Uni — de hoogste goddelijke echtgenote in het Etruskische pantheon, het equivalent van de Griekse Hera of de Romeinse Juno — en moesten haar bescherming voor de nieuwe nederzetting waarborgen.
De geschiedenis van de put eindigde echter niet bij de opening. In de bovenste lagen ontdekten wetenschappers menselijke resten — de skeletten van een volwassen man en vrouw. Deze begravingen maakten deel uit van een ritueel met een tegenovergestelde betekenis: toen de put zijn rol in het stadsleven had vervuld, werd deze met de lichamen 'verzegeld', alsof de deur tussen de wereld van de levenden en die van de doden werd gesloten. Dergelijke praktijken komen in verschillende culturen voor en getuigen ervan dat putten werden vereerd als portalen naar de onderaardse machten — ontmoetingsplaatsen met het goddelijke.
Kainua, ook bekend onder de naam Marzabotto, was een van de belangrijkste Etruskische centra in de vallei van de rivier de Reno. De stad ontstond aan het einde van de zesde eeuw voor Christus en ontwikkelde zich, waarbij zij een reorganisatie onderging tussen het einde van de zesde en het begin van de vijfde eeuw. Zij bleef bestaan tot de vierde eeuw voor Christus, toen Keltische migraties leidden tot het definitieve vertrek van de inwoners.
Deze toestand maakt Kainua tot op de dag van vandaag uniek — de ongerepte stadsplanning stelde wetenschappers in staat om het antieke leven volledig te reconstrueren: huizen, wegen, werkplaatsen, tempels, het watervoorzieningssysteem, necropolen en de acropolis. De vondst in de put vult het beeld aan van het dagelijkse en sacrale leven van de Etrusken, wiens wereldbeeld grotendeels een raadsel blijft door het ontbreken van uitgebreide schriftelijke bronnen.
De bronzen plaat trekt bijzondere aandacht: er zijn tot nu toe geen analogen van gevonden. De vorm en het ornament ervan zijn, volgens voorlopige gegevens, specifiek verbonden met cultuspraktijken en de stichting van nieuwe steden. De beeldjes zijn met grote precisie vervaardigd, wat getuigt van hoogstaand vakmanschap en de heiligheid van het uitgevoerde ritueel benadrukt. Het onderzoek wordt voortgezet: wetenschappers hopen de datering te verfijnen met behulp van koolstofdatering en DNA-onderzoek van de resten, wat een beter inzicht zal geven in de twee skeletten — wie deze mensen waren die in verschillende tijdperken van de stad leefden, en waarom hun lichamen in de heilige put terechtkwamen.
