Begin juli 2026 kondigde de Europese Ruimtevaartorganisatie een ontdekking aan die ons een unieke blik gunt in de allereerste hoofdstukken van de kosmische geschiedenis. De ruimtetelescoop Euclid heeft 31 van de oudste quasars ooit geïdentificeerd — extreem heldere sterrenstelselkernen die worden aangedreven door superzware zwarte gaten. Twee daarvan straalden met de kracht van een biljoen zonnen toen het heelal slechts zo'n 670 miljoen jaar oud was, wat overeenkomt met ongeveer 5% van de huidige leeftijd van het universum.
Quasars vertegenwoordigen een kortstondige maar ongekend felle fase in de levensloop van sterrenstelsels. In hun centrum stort materie met enorme snelheid in een zwart gat, waarbij kolossale hoeveelheden energie vrijkomen. Deze objecten zijn zo krachtig dat ze het licht van hun volledige moederstelsel honderden of zelfs duizenden malen kunnen overtreffen. Het opsporen van dergelijke objecten in het vroege heelal is echter een enorme uitdaging: ze zijn zeldzaam, hun licht is verzwakt door de immense afstand en ze zijn tussen de talloze verre lichtpuntjes nauwelijks te onderscheiden van sterren uit onze eigen Melkweg.
De Euclid-telescoop, die in 2023 werd gelanceerd, is specifiek ontworpen voor dit type missies. Door een breed gezichtsveld te combineren met een extreme gevoeligheid, kamt de telescoop efficiënt enorme delen van de kosmos uit, waarbij zelfs relatief zwakke signalen worden opgepikt. Dankzij deze aanpak konden wetenschappers niet alleen uitschieters vinden, maar ook een ware inventarisatie maken van vroege quasars. Tot nu toe kenden astronomen slechts enkele van dit soort objecten met een dergelijke roodverschuiving (z > 7). Door het werk van Euclid is dit aantal in slechts enkele maanden tijd meer dan verdubbeld.
De oudste vondsten hebben de aanduidingen EUCL J172902.75+641018.1 en EUCL J125308.55+705432.3 gekregen, met roodverschuivingen van respectievelijk 7,77 en 7,69. Het licht van deze objecten heeft er meer dan 13 miljard jaar over gedaan om ons te bereiken. Deze quasars ontstonden tijdens het tijdperk van de reïonisatie — een overgangsperiode waarin het universum veranderde van een donkere, neutrale toestand naar een geïoniseerde staat onder invloed van de eerste generatie heldere hemellichamen. Het bestuderen van deze objecten helpt ons te begrijpen hoe superzware zwarte gaten en de eerste grote sterrenstelsels zich in zo’n korte tijd konden vormen.
Een van deze recordhouders is inmiddels nader onderzocht: hij bevindt zich in een stoffig, gasrijk sterrenstelsel waarin in hoog tempo nieuwe sterren worden geboren. Dit biedt belangrijke aanwijzingen over de omgeving waarin deze vroege kosmische monsters konden uitdijen.
De ontdekking van Euclid is geen kwestie van puur geluk, maar het resultaat van een systematische werkwijze. Terwijl de telescoop gegevens blijft verzamelen voor een gedetailleerde kaart van het donkere heelal, verwachten wetenschappers nog veel meer vondsten te doen. Elk nieuw punt op de kaart van vroege quasars brengt ons dichter bij het antwoord op de vraag hoe de kosmos in slechts enkele honderden miljoenen jaren na de oerknal zulke gigantische structuren kon voortbrengen.
Voor astronomen is dit een heuse doorbraak: we stappen af van het bestuderen van incidentele 'bakens' en gaan over op statistische data. Voor iedereen die naar de nachtelijke hemel kijkt, is dit een herinnering aan hoe dynamisch en wonderbaarlijk ons universum blijft, zelfs na 13,8 miljard jaar.
