Waarom noemt het ene onderzoek een product gezond en een ander, enkele jaren later, schadelijk? Zulke tegenstrijdigheden zijn al lang een van de grootste problemen in de voedingswetenschap. Vaak ligt de oorzaak helemaal niet bij de producten zelf, maar in de moeilijkheid om hun invloed te scheiden van de vele andere factoren die de levensstijl van een mens bepalen.
Het meeste voedingskennis is gebaseerd op observationele onderzoeken. Wetenschappers analyseren de eetgewoonten van duizenden mensen en vergelijken deze met gezondheidsindicatoren. Echter, iemand die regelmatig groenten eet, beweegt vaak tegelijkertijd meer, rookt minder, heeft een hoger opleidingsniveau, is beter voorzien en ondergaat vaker preventieve onderzoeken. Het is uiterst moeilijk te achterhalen welke bijdrage precies voeding levert en welke alle andere levensstijlkenmerken. Dit probleem wordt de invloed van verstorende factoren, of confounding, genoemd.
De meest betrouwbare methode om oorzakelijke verbanden te toetsen, zijn gerandomiseerde gecontroleerde onderzoeken. Maar met betrekking tot voeding stuiten deze op serieuze beperkingen. Het is erg moeilijk om mensen jarenlang aan hetzelfde dieet te laten vasthouden, en chronische ziekten ontwikkelen zich decennialang. Daarom wint de methode van Mendeliaanse randomisatie de laatste jaren steeds meer aan populariteit.
Het idee is gebaseerd op het feit dat genetische varianten al bij de conceptie willekeurig worden verdeeld en vrijwel niet afhankelijk zijn van de levensstijl of de sociale positie van een persoon. Hierdoor kunnen genen fungeren als een soort natuurlijk experiment, dat ons dichter bij het begrijpen van de oorzakelijke verbanden tussen eetgewoonten en ziekten brengt.
Maar ook deze benadering kent beperkingen. Veel genetische varianten die verband houden met voedingskenmerken, blijken tegelijkertijd verband te houden met opleidingsniveau, inkomen, lichaamsgewicht en andere kenmerken die op zichzelf invloed hebben op de gezondheid. Hierdoor wordt het moeilijk te begrijpen wat precies het waargenomen effect bepaalt.
Een internationale onderzoeksgroep onder leiding van Liang-Dar Hwang van de University of Queensland en het Monell Center heeft een originele oplossing voorgesteld. In plaats van te zoeken naar willekeurige genetische markers, richtten de wetenschappers zich op de genen van smaak- en reukreceptoren. Juist deze bepalen direct de waarneming van smaak en geur van voedsel, en beïnvloeden daarmee voedingsvoorkeuren, terwijl ze aanzienlijk minder vaak verband houden met sociaaleconomische kenmerken van een persoon.

In een onderzoek, gepubliceerd in juni 2026 in het tijdschrift BMC Medicine, werden gegevens van meer dan 160.000 deelnemers aan het Britse UK Biobank-project geanalyseerd. De onderzoekers bestudeerden 1214 genetische varianten in de genen van smaak- en reukreceptoren. Na een meerfasige selectie bleven 24 hoogwaardige genetische instrumenten over, die verband hielden met de voorkeur voor 20 verschillende producten. Een variant rs6587467 in het gen van de reukreceptor OR2T6, nauw verbonden met de liefde voor uien, viel bijzonder op. Deze variant correleerde vrijwel niet met inkomen, opleidingsniveau of andere potentiële verstorende factoren, wat het een bijzonder waardevol instrument maakte voor Mendeliaanse randomisatie.
Met behulp van deze genetische variant verkregen de onderzoekers voorlopig bewijs dat een genetische aanleg voor een grotere liefde voor uien verband houdt met een verlaging van de systolische bloeddruk met ongeveer 1,3 mm Hg, de diastolische met ongeveer 0,7 mm Hg, evenals een vermindering van het risico op diabetes type 2 met ongeveer 14%. Er werd geen invloed gevonden op de body mass index, het lipideniveau in het bloed of het risico op ischemische hartziekten, wat duidt op een mogelijk specifiek werkingsmechanisme, en niet op een algemene verbetering van de gezondheid. De auteurs benadrukken dat deze resultaten onafhankelijke bevestiging vereisen in andere populaties.
Het is belangrijk te begrijpen dat de belangrijkste ontdekking van het werk niet zozeer met uien zelf te maken heeft, maar met een nieuwe methode voor het selecteren van genetische instrumenten. Uien bleken een handig model om het concept te testen. De biologische plausibiliteit van het waargenomen verband lijkt ook overtuigend: uien zijn rijk aan quercetine en zwavelhoudende verbindingen, waarvoor eerder al ontstekingsremmende, antioxiderende en vaatverwijdende eigenschappen waren beschreven. Maar juist de nieuwe benadering van het selecteren van genetische markers kan de belangrijkste bijdrage van het onderzoek aan de ontwikkeling van de voedingswetenschap blijken te zijn.
De praktische betekenis van dit werk is vandaag de dag bijzonder merkbaar, nu in Australië voor het eerst sinds 2013 de nationale voedingsrichtlijnen worden herzien. Hun bijgewerkte versie wordt tegen het einde van 2026 verwacht. Hoe nauwkeuriger wetenschappers oorzakelijke verbanden kunnen onderscheiden van eenvoudige statistische toevalligheden, hoe betrouwbaarder de aanbevelingen zullen zijn, die later door miljoenen mensen worden gebruikt.
Genetica zal klinische onderzoeken en klassieke epidemiologie niet vervangen, maar kan hun mogelijkheden aanzienlijk versterken. In plaats van te zoeken naar willekeurige statistische toevalligheden, krijgen onderzoekers een instrument waarmee ze dichter bij het begrijpen van de werkelijke oorzakelijke verbanden tussen voedsel en gezondheid komen. Dit opent de weg niet alleen naar overtuigendere voedingsaanbevelingen, maar ook naar de toekomst van gepersonaliseerde nutriologie, waar kenmerken van smaak, geur en genetica zullen helpen om de voeding voor elke persoon nauwkeuriger te kiezen.




