In september 2026 meldden onderzoekers de ontdekking van een nieuwe soort pootloze amfibie — de wormsalamander Gegeneophis chandgadi — in het gebied Chandgad in het district Kolhapur in het noorden van de West-Ghats in Maharashtra. Deze ontdekking, gedaan door een team van de Zoological Survey of India en verschillende universiteiten, onderstreept hoe weinig we weten over het leven onder het oppervlak, zelfs in dichtbevolkte gebieden.
Wormsalamanders zijn verborgen wezens die een ondergronds leven leiden en vaak op regenwormen of blinde slangen lijken. De nieuwe soort is vernoemd naar het plaatselijke dialect Chandgadi, als eerbetoon aan de taalkundige en culturele eigenheid van de regio, en ook aan de kennis van de plaatselijke bewoners, die de wetenschappers hielpen het exemplaar in het dorp Buzawale te vinden. Het dier leeft niet in beschermde bossen, maar tussen woon- en landbouwgebieden, waar mensen hun dagelijks leven leiden.
De West-Ghats blijven het centrum van de diversiteit van Indiase wormsalamanders: van de 41 soorten die in het land bekend zijn, zijn de meeste endemisch voor juist dit gebergte. Met de ontdekking van Gegeneophis chandgadi is het aantal soorten van het geslacht Gegeneophis in India tot twaalf gestegen, waarbij elf ervan strikt gebonden zijn aan de Ghats. Zulke vondsten tonen aan dat zelfs in door de mens veranderde landschappen een unieke ondergrondse fauna voortbestaat, waarover we tot nu toe slechts fragmentarische kennis hebben.
De ontdekking werd mogelijk dank zij een combinatie van moleculaire analyse, morfologische metingen en veldwaarnemingen. De wetenschappers benadrukken dat zonder de deelname van de plaatselijke bewoners, wier traditionele kennis hielp de soort te lokaliseren, het werk jaren had kunnen duren. Dit herinnert eraan dat wetenschappelijke vooruitgang vaak steunt op nauwe samenwerking met hen die dagelijks met de natuur in aanraking komen.
Dergelijke vondsten dwingen ons het vertrouwde beeld van de «wilde» natuur als iets afgelegens en onaangeraakts te herzien. Het blijkt dat essentiële elementen van de biodiversiteit letterlijk onder onze voeten kunnen bestaan, in tuinen en op akkers, als we ze maar leren opmerken en waarderen.
Elke dergelijke ontdekking is nog een argument voor een zorgvuldige omgang met de bodem en de landschappen die wij als alledaags beschouwen.

