Uit een langdurig onderzoek, waarvan de resultaten zijn gepubliceerd in JAMA Network Open (Pet Ownership, Living Alone, and Cognitive Decline Among Adults 50 Years and Older), blijkt dat het hebben van een huisdier gepaard gaat met een tragere cognitieve achteruitgang bij mensen boven de 50 jaar. De studie is gebaseerd op jarenlange observatiegegevens en toont een duidelijk verband aan tussen de aanwezigheid van een huisdier en het behoud van de cognitieve functies.
Deelnemers aan het onderzoek die een hond of kat hadden, vertoonden een minder snelle afname van hun verbale cognitieve vaardigheden, hun geheugen en hun verbale welbespraaktheid dan degenen zonder huisdieren. Dit verschil bleef overeind, ook na correctie voor factoren zoals leeftijd, opleidingsniveau en de algemene gezondheidstoestand aan het begin van de studie.
De dagelijkse verzorging van een dier — zoals wandelen, voeren en spelen — zorgt voor een regelmatige fysieke en mentale belasting. Deze routine lijkt de neuroplasticiteit te ondersteunen en vermindert de kans op sociaal isolement, een factor die cognitieve veranderingen vaak versnelt.
Het effect was met name zichtbaar bij mensen die alleen wonen: een huisdier bood hen een gestructureerde dagindeling en zorgde voor emotionele betrokkenheid. Wetenschappers benadrukken echter dat het hier niet gaat om een direct oorzakelijk verband, maar om een statistisch significante associatie die nog nader onderzoek vereist.
De bevindingen sluiten aan bij eerdere gegevens over de voordelen die interactie met dieren heeft voor de mentale gezondheid. Gezien de vergrijzing van de bevolking zouden dergelijke observaties van invloed kunnen zijn op de adviezen voor de preventie van cognitieve stoornissen.
Hoewel het onderzoek geen reden geeft om een huisdier als een medicijn te beschouwen, toont het wel aan dat de aanwezigheid van een dier in huis een belangrijke factor kan zijn bij het ondersteunen van het cognitieve welzijn op latere leeftijd.




