In de wereld van de roodrugspinnen (Latrodectus hasselti) verandert de paring in een ware acrobatische act: het mannetje maakt een salto, waarbij hij zijn achterlijf onder de kaken van het vrouwtje brengt. Wat een zelfmoordact lijkt, is in werkelijkheid een fijn afgesteld mechanisme dat de copulatie mogelijk maakt en soms zelfs overleving garandeert. Een nieuw onderzoek onthult dat achter dit spectaculaire gedrag een relatief eenvoudige genetische basis schuilt.
Roodrugspinnen leven in Australië, terwijl hun naaste verwanten, de katipo-spinnen (Latrodectus katipo), in Nieuw-Zeeland voorkomen. Deze soorten zijn slechts ongeveer honderdduizend jaar geleden van elkaar gescheiden, wat evolutionair gezien zeer recent is. Desondanks vluchten katipo-mannetjes na de paring eenvoudigweg weg, terwijl roodrugspinnen een unieke “zelfopofferende salto” uitvoeren. Wetenschappers vroegen zich af waarom zulke nauw verwante soorten zich zo verschillend gedragen.
Om dit te onderzoeken, kruisten de onderzoekers spinnen en verkregen ze hybride nakomelingen. Ze kruisten vrouwelijke katipo’s met mannelijke roodrugspinnen, en vervolgens de hybride vrouwtjes met mannetjes van beide soorten. De verkregen hybride mannetjes werden gepaard met vrouwelijke katipo’s en het proces werd vastgelegd met infraroodcamera’s. Bij 104 succesvolle paringen werd waargenomen hoe twee sleutelgedragingen zich manifesteerden: de salto en het samentrekken van het achterlijf om een beet te ontwijken.
Het bleek dat deze twee acties niet altijd samen optreden. Ongeveer de helft van de hybride mannetjes voerde beide uit, de rest slechts één van de twee. Dit suggereert dat de genen die verantwoordelijk zijn voor de salto en de samentrekking niet nauw met elkaar verbonden zijn en waarschijnlijk ver uit elkaar liggen op chromosomen, of zelfs op verschillende chromosomen. De salto wordt vermoedelijk gecontroleerd door een gen of supergen op het X-chromosoom, terwijl de samentrekking van het achterlijf een complexere aard heeft en afhankelijk kan zijn van signalen van het vrouwtje.
Een dergelijke scheiding van genetische basis is verrassend: het lijkt logisch dat twee gedragingen die bijna gelijktijdig plaatsvinden, strikt gekoppeld zouden zijn. De evolutie heeft echter, zoals het experiment aantoont, onafhankelijke paden bewandeld. Dit benadrukt hoe flexibel zelfs de meest bizarre paringsrituelen kunnen veranderen onder invloed van kleine genetische aanpassingen.
De ontdekking heeft ook praktische betekenis. Roodrugspinnen zijn een invasieve soort in Nieuw-Zeeland en bedreigen de inheemse katipo’s door hybridisatie. Inzicht in de genetische mechanismen achter dit gedrag zal helpen de risico’s van kruisingen beter in te schatten en maatregelen te ontwikkelen voor het behoud van de zeldzame Nieuw-Zeelandse soort.
Het observeren van spinnen herinnert ons eraan: zelfs de meest dramatische uitingen van de natuur berusten vaak op eenvoudige genetische “schakelaars”, en het bestuderen van deze mechanismen helpt niet alleen de evolutie te begrijpen, maar ook kwetsbare ecosystemen te beschermen.

