Wat gebeurt er met de hersenen wanneer gedachten bijna verdwijnen, het vertrouwde gevoel van tijd en lichaam terugwijkt en het bewustzijn zelf overblijft?
Precies deze toestand probeerden onderzoekers te bestuderen bij ervaren beoefenaars van transcendente meditatie. Aan het onderzoek namen 33 mediterenden deel en een vergelijkbare controlegroep die in plaats van te mediteren een mentale rekentaak uitvoerde. De wetenschappers registreerden tegelijkertijd een EEG en verzamelden gedetailleerde verslagen van de subjectieve ervaring van de deelnemers.
Bijzondere aandacht ging uit naar de toestand die de auteurs pure awareness — ‘zuiver bewustzijn’ — noemen: een ervaring waarin de vertrouwde inhoud afneemt, maar waakzaamheid en de aanwezigheid van het bewustzijn zelf behouden blijven.
De resultaten toonden aan dat de hersenen op dat moment geenszins overschakelen naar een eenvoudige ‘stille’ modus.
De onderzoekers analyseerden de temporele entropie van het signaal, aperiodieke activiteit, complexiteit en functionele connectiviteit tussen hersengebieden. En zij ontdekten dat verschillende kenmerken belangrijk worden, afhankelijk van de toestand waarmee de meditatie wordt vergeleken.
Bij vergelijking met het mentale rekenen bleken vooral veranderingen in temporele entropie en aperiodieke dynamiek opvallend. En wanneer de meditatie werd vergeleken met gewone rust bij dezelfde beoefenaars, kwam juist de laagfrequente functionele connectiviteit op de voorgrond te staan.
Met andere woorden: één enkel ‘ritme van het zuivere bewustzijn’ vonden de onderzoekers niet.
In plaats daarvan ontstond een interessanter beeld: de toestand manifesteerde zich als een complexe, verdeelde configuratie van hersendynamiek die niet tot de werking van één gebied of één frequentie kan worden herleid.
Ook de subjectieve verslagen van de deelnemers bleken belangrijk. De beoefenaars beschreven de toestand van zuiver bewustzijn als uitgesprokener en in de tijd veranderlijker dan de deelnemers van de controlegroep. De intensiteit ervan hing echter niet rechtstreeks samen met het aantal jaren van beoefening.
Voor onderzoek naar bewustzijn is hier één punt bijzonder belangrijk.
Het minimum aan bewustzijnsinhoud bleek geenszins gelijk te zijn aan het minimum aan neurale activiteit.
Wanneer de gedachtestroom stiller wordt, zetten de hersenen niet simpelweg ‘het geluid uit’. Ze herschikken de manier waarop ze zichzelf organiseren.
Men kan zich een orkest voorstellen dat ophoudt een vertrouwde melodie te spelen. De musici blijven op het podium, de wisselwerking gaat door, maar de muziek krijgt een andere structuur.
Daarom is dit werk niet alleen interessant als onderzoek naar meditatie. Het werpt een fundamentelere vraag op: wat in de hersenen houdt verband met de concrete inhoud van het bewustzijn — gedachten, gewaarwordingen, beelden — en wat kan verband houden met de aanwezigheid van het bewustzijn zelf?
Voorlopig laat het onderzoek niet toe te spreken van een universele biomarker van ‘zuiver bewustzijn’. Er werd één vorm van meditatie bestudeerd, en de gevonden EEG-patronen moeten nog worden getoetst in andere praktijken en onafhankelijke steekproeven.
Maar één conclusie ziet er al bijzonder curieus uit: wanneer de inhoud van het bewustzijn bijna verdwijnt, worden de hersenen niet leeg. Ze gaan anders werken.
En misschien schuilt juist in dat verschil tussen wat wij ons bewust zijn en het feit van het bewustzijn zelf een van de sleutels tot het begrijpen van de aard van het bewustzijn.



