Op 13 mei 2026 vond in het Los Angeles County Museum of Art (LACMA) de allereerste cruiseshow van Jonathan Anderson voor Dior plaats.
De keuze voor Los Angeles was geen toeval: onlangs opende het modehuis er een nieuwe flagshipstore en de stad herinnert aan de rijke geschiedenis van het huis met Hollywood, waar Christian Dior iconen als Marlene Dietrich, Marilyn Monroe en Grace Kelly kleedde.
Volgens de ontwerper vormde deze Hollywood-historie het vertrekpunt van de collectie, terwijl de Californische slaapbol diende als een van de belangrijkste inspiratiebronnen.
De show kreeg de titel ‘Stage Fright’. Dit is eveneens een verwijzing naar de filmwereld. In de gelijknamige film van Alfred Hitchcock droeg Marlene Dietrich het beroemde Bar-jasje uit de Haute Couture-collectie van 1949. Juist dit kledingstuk, waarmee Anderson zo graag experimenteert, vormde het middelpunt van de collectie.
Vintage Cadillac-cabriolets, fel schijnende koplampen en optrekkende mist zorgden voor een mysterieuze noir-sfeer, zoals in de grote Hollywood-klassiekers. De uitnodigingen zagen eruit als filmscenario's, de teaser was geïnspireerd op de films van Hitchcock en de modellen verschenen in looks die herinnerden aan de oude cinema.
In de collectie waren vrijwel geen broeken te vinden, enkel jurken, pareo's en rokken, met een overvloed aan details, bloemen, vlechtwerk en diverse texturen: van tweed gecombineerd met zijde tot suède met denim en zwierige chiffonjurken versierd met zwaar borduurwerk en parels op de naden, waarbij de stoffen soms leken op veren en fijne franjes.
De accessoires waren opvallend en bezaten dat tikkeltje 'gekte' waar Anderson om bekendstaat, versterkt door de samenwerking met de Ierse hoedenmaker Philip Treacy, die verantwoordelijk was voor de hoofdbedekkingen. De collectie bevatte pluizige boa's, broches ter grootte van een clutch, asymmetrische oorbellen met fonkelende hangers en colliers van grove kralen, terwijl de heren werden getrakteerd op speelse haarbanden met letters van veren van de hand van Treacy.
De tassen sloten naadloos aan bij het eerbetoon aan de film noir en de archiefcodes van het huis. De Lady Dior was uitgevoerd in pied-de-poule, de Bow Bags in de iconische krantenprint van Galliano en de Saddle Bags hadden stiksels die verwezen naar de bekleding van klassieke cabriolets of de vinyl banken van wegrestaurants. Ook de nieuwe Dior Cigale-tas maakte haar debuut, terwijl ironische minaudières in de vorm van slakken, lieveheersbeestjes en egels met houders voor broches voor een speelse noot zorgden.
Daarnaast vielen nog een aantal andere kenmerken in de collectie op:
Er was een enorme hoeveelheid glitter aanwezig. Glans en pailletten waren werkelijk overal zichtbaar, van de zonnebrillen en tassen tot de jurken en de make-up van de modellen.
Bloemenmotieven sierden de jurken en kwamen zelfs terug op de schoenen.
De rol van numerologie. Op de overhemden stonden getallen die verwezen naar Andersons fascinatie voor getallenleer.
Verwijzingen naar het begin van de 20e eeuw. De collectie bevatte flapper-jurken en extreem verlaagde tailles.
Voor het eerst in de geschiedenis van de Dior-cruiseshows bevatte de collectie bovendien een volwaardige herensectie: paillettenjasjes, pyjamashirts met leren broeken en een serie overhemden met contrasterende biezen, ontworpen in samenwerking met kunstenaar Ed Ruscha. De show werd symbolisch afgesloten door een mannelijk model.
Dit defilé markeerde een nieuwe belangrijke mijlpaal in de carrière van Jonathan Anderson als creatief directeur van Dior, als laatste van zijn debuten. En het was ongetwijfeld opnieuw een groot succes.



