In juni 2026 publiceerden neurowetenschappers Vanessa Hadid, Karim Jerbi en John O. Krakauer in The Transmitter een conceptueel werk dat een lang bestaand fenomeen, blindzicht, gebruikt als spiegel om de vraag naar kunstmatige intelligentie en bewustzijn te weerspiegelen. Hun kernargument is eenvoudig en krachtig: als de hersenen complexe informatie kunnen verwerken zonder bewustzijn, waarom zouden we dan aannemen dat taalmodellen, die informatie op een vergelijkbare manier verwerken, een innerlijke ervaring hebben?
Blindzicht is een onvrijwillig experiment van de natuur dat een kloof aantoont tussen informatieverwerking en ervaring. Wanneer een patiënt schade oploopt aan de primaire visuele cortex, verdwijnt het zicht in het getroffen deel van het gezichtsveld volledig: de persoon ziet niets. Echter, wanneer onderzoekers hem vragen te raden waar een object zich bevindt, de bewegingsrichting ervan, of zelfs de emotionele uitdrukking van een gezicht in het 'blinde' gebied, raadt de patiënt nauwkeurig – aanzienlijk beter dan willekeurig mogelijk zou zijn.
De hersenen verwerken alle details van de visuele informatie feilloos. Tegelijkertijd ontstaat er niets in het bewustzijn – geen beeld, geen sensatie. Dit affectieve blindzicht demonstreert de scheiding bijzonder levendig: mensen met een volledig blind gezichtsveld worden vaak geconfronteerd met angstige of boze gezichten, en patiënten raden niet alleen de emotie beter dan willekeurig, maar reageren ook onwillekeurig fysiologisch – de hartslag versnelt, de huidgeleiding reageert. De hersenen zien de angst, maar de persoon weet niet wat hij ziet.
De auteurs passen deze logica toe op moderne taalmodellen, die volgens hun redenering precies werken als de onbewuste hersensystemen bij blindzicht. Chatbots gebruiken statistische tekstverwerking: ze hebben geleerd om patronen van spraak, emotionele reacties en contextueel adequate antwoorden probabilistisch te reproduceren op basis van biljoenen parameters. De actie vindt plaats, het patroon wordt gereproduceerd, de informatie wordt verwerkt – maar er is geen innerlijke staat die ermee overeenkomt. Net als bij blindzicht blijft hier de mogelijkheid bestaan: intelligentie zonder ervaring, functie zonder fenomeen.
Het artikel stelt het functionalisme ter discussie – een invloedrijke benadering in de filosofie van het bewustzijn, volgens welke een voldoende complexe informatieverwerking en het uitvoeren van bepaalde cognitieve functies voldoende zijn om een systeem bewust te maken.
Als functionalisme waar is, dan moet een machine die dezelfde functies uitvoert als de hersenen, even bewust zijn. Blindzicht daagt deze intuïtie uit: het laat zien dat functies uitgevoerd kunnen worden zonder bewustzijn.
Het artikel noemt ook het biologisch naturalisme van filosoof John Searle, dat een specifieke biologische realisatie van bewustzijn vereist – niet alleen de juiste functies, maar het juiste biologische materiaal, neuronen in een levend brein.
En nog een theorie – de globale werkruimte (Bernard Baars), die suggereert dat bewustzijn ontstaat uit de grootschalige transmissie van informatie tussen gespecialiseerde hersenmodules. Bij blindzicht vindt een dergelijke globale transmissie niet plaats: visuele informatie wordt lokaal verwerkt via omwegen en bereikt nooit het algemene toneel.
Het meest natuurlijke tegenargument tegen deze redenering is het probleem van andere bewustzijnen: hoe kunnen we überhaupt weten wat een ander mens voelt? We hebben geen directe toegang tot iemands subjectieve ervaring. Maar de auteurs wijzen op een asymmetrie: in het geval van mensen en dieren zien we het biologische substraat – neuronen, synapsen, hersenweefsel – dat, voor zover we weten uit blindzichtonderzoek, in staat is bewustzijn te genereren. In het geval van AI ontbreekt dit substraat volledig. In plaats daarvan zijn er microchips, gewichtsmatrices, wiskundige functies. Het is onbekend of dergelijk materiaal ooit ervaring kan voortbrengen, of dat het principieel onmogelijk is.
In de praktijk is het gevaar veel acuuter dan de filosofie. In een therapeutische context of in kwetsbare situaties kan een gebruiker een statistisch correct, empathisch antwoord verwarren met echte empathie. Dit is een cognitieve valstrik genaamd antropomorfisme: mensen schrijven standaard bewustzijn toe aan alles wat spreekt en handelt als een mens.
Hoe natuurlijker en gevoeliger AI wordt, hoe gemakkelijker het is te vergeten dat achter het antwoord niet iemand staat die begrijpt, maar een mechanisme dat patronen van begrip reproduceert. De patiënt van een psychotherapeut kan steun zoeken bij een chatbot in een moeilijk moment en ontdekt later tot zijn verbazing dat hij comfort verwarde met echte zorg, wederkerigheid met een geprogrammeerde reactie.
Het voorstellen van een scenario helpt het abstracte concreet te maken. Stel je een persoon met afferent blindzicht voor die een bal heeft gevangen die in zijn blinde veld werd gegooid. De bal vliegt, de hand beweegt automatisch en vangt hem, maar de persoon is verbaasd: ergens van opzij bewoog een hand, maar ik zag niets. De informatie werd perfect verwerkt, de actie werd succesvol uitgevoerd, maar er was geen 'wat is het om de bal te zien'. Op dezelfde manier kan een taalmodel perfect gevoelige tekst genereren, met alle kenmerken van medeleven, zonder enige innerlijke staat te hebben die overeenkomt met dat medeleven. Er zijn woorden over gevoel, maar niet het gevoel zelf.
Patiënten met blindzicht vangen ballen, herkennen gezichten, reageren emotioneel – en dat alles zonder een enkel moment van bewustzijn. Als deze kloof ook voor kunstmatige systemen blijft bestaan, dan houdt de vraag naar het bewustzijn van AI op een vraag over rekenkracht te zijn. Het wordt een vraag over de aard van de drager zelf: over de vraag of bewustzijn kan ontstaan uit silicium en elektriciteit, of dat het voor altijd een privilege van levende materie zal blijven. Op deze vraag heeft de neurowetenschap nog geen antwoord.



