Na bijna drie maanden digitale stilte keert Iran langzaam terug op het wereldwijde internet. Op maandag 25 mei tekende president Masoud Pezeshkian het bevel om de internationale verbindingen te herstellen, waarna de onafhankelijke monitoringsgroep NetBlocks diezelfde avond nog de eerste signalen uit Teheran opmerkte. Dit gebeurde op de 88e dag van de black-out — de langste nationale internetonderbreking die ooit ergens ter wereld is vastgelegd.
Het herstel verloopt traag en is aan voorwaarden gebonden. In de hoofdstad en enkele andere grote steden kunnen gebruikers weer chatdiensten gebruiken en buitenlandse websites bezoeken, al gaat dit gepaard met vertragingen en een instabiele verbinding. In de provincies is de situatie echter anders: de snelheden worden daar kunstmatig beperkt, diverse diensten blijven geblokkeerd en populaire platforms zijn enkel bereikbaar via VPN’s — een hulpmiddel dat tijdens de black-out noodgedwongen door vrijwel het hele land is omarmd.
De officiële lezing en de werkelijkheid tussen de regels
Teheran verklaart de maatregel met harde en bondige woorden: het afsluiten van het internet was een reactie op "buitenlandse inmenging". Sinds de Amerikaanse en Israëlische aanvallen op Iraans grondgebied op 28 februari is deze formulering voor de autoriteiten het universele argument geworden. Volgens officiële bronnen was de blokkade noodzakelijk om spionage, cyberaanvallen en pogingen tot destabilisatie te verijdelen.
Het beeld dat onafhankelijke waarnemers schetsen, wijkt hier echter aanzienlijk van af. De volledige afsluiting werd al op 8 januari ingesteld — ruim vóór de militaire incidenten — tegen de achtergrond van massale protesten in tientallen steden. Een kortstondig herstel in februari viel samen met een poging van de machthebbers om de controle over de situatie te demonstreren; de hernieuwde afsluiting op 28 februari was weliswaar gekoppeld aan de militaire escalatie, maar bestendigde feitelijk het isolement dat al met de protestgolven was ingezet. Met andere woorden: "buitenlandse inmenging" bleek een handig kader om een binnenlandse crisis te maskeren.
Bij de aankondiging van het stapsgewijze herstel erkende de minister van Communicatie, Sattar Hashemi, wat allang overduidelijk was: "De internetbeperkingen van de afgelopen maanden hebben ernstige schade toegebracht aan de digitale economie, online bedrijven en de dienstensector van het land." Volgens zijn eigen schatting verloor de staat dagelijks ongeveer 35,7 miljoen dollar. Tegen het midden van april bedroeg de totale schade meer dan 1,8 miljard dollar — en dat betreft enkel de officieel vastgestelde verliezen.
Wie de rekening betaalt voor de stilte
De zwaarste klappen vielen bij degenen die hun leven hebben opgebouwd rond de digitale infrastructuur. De e-commerce, die in Iran de afgelopen jaren als een van de weinige vitale economische sectoren groeide, kwam vrijwel volledig tot stilstand. Freelancers die op afstand werkten — zoals programmeurs, ontwerpers en vertalers met buitenlandse opdrachtgevers — raakten afgesneden van hun werkplatforms en betalingssystemen. Een vlogger uit Teheran vertelde aan de BBC dat hij dinsdag voor het eerst in drie maanden weer verbinding kon maken met zijn wifi thuis: een herstel dat hem naar eigen zeggen tenminste een deel van zijn misgelopen inkomsten kan teruggeven.
Voor de Iraniërs, en vooral voor de jongeren, was de black-out meer dan een dagelijks ongemak; het was een ervaring die zij niet snel zullen vergeten. In deze maanden is het gebruik van VPN-diensten en illegale satellietterminals — apparatuur die een jaar geleden nog als exotisch werd beschouwd — massaal geworden. Deze vaardigheid zal niet verdwijnen nu het netwerk terug is. Integendeel: een samenleving die eenmaal heeft geleerd om staatsfilters te omzeilen, zal dit blijven doen, zelfs als de formele beperkingen zijn opgeheven.
Een precedent dat nauwgezet wordt gevolgd
De Iraanse casus wordt in de hoofdsteden van de regio met grote belangstelling bestudeerd. Langdurige internetonderbrekingen als instrument voor crisisbeheersing werden al eerder ingezet — in 2019 in Iran zelf, en periodiek in Pakistan, Ethiopië en Myanmar. Maar 88 dagen stelt de norm op een nieuw niveau. Voor autoritaire en semi-autoritaire regeringen is dit een signaal: het is technisch mogelijk om een land langdurig af te sluiten en de economische verliezen te dragen als de binnenlandse stabiliteit zwaarder weegt. Voor mensenrechtenactivisten en de digitale industrie is de boodschap juist het tegenovergestelde: het is tijd om de architectuur van het mondiale internet te herzien, aangezien nationale toegangspunten een zwakke plek blijven voor de mensenrechten.
NetBlocks en andere monitoringsgroepen waarschuwen inmiddels dat herstel niet gelijkstaat aan een garantie voor de toekomst. De Iraanse autoriteiten behouden alle juridische en technische middelen om bij een volgende escalatie de teugels weer aan te trekken. De geschiedenis van de afgelopen jaren laat zien dat na elke grote onderbreking niet hetzelfde internet terugkeert, maar een versie die sterker gefilterd en gecontroleerd is, voorzien van nieuwe regelgevende structuren.
Wat er overblijft na de duisternis
Het herstellen van de verbindingen in Iran is een technische gebeurtenis, geen politieke. Websites laden weer, maar journalisten in het land beschrijven een nieuwe tweespalt: men kan weer schrijven, maar spreken is nog altijd gevaarlijk. De zelfcensuur die in drie maanden tijd is opgebouwd, is niet verdwenen. Het vertrouwen in overheidsinstellingen, dat al gering was, is verder ondermijnd: een regering die op elk moment de verbinding van een heel land kan uitschakelen, wordt niet gezien als een partner, maar als een macht waarmee men noodgedwongen rekening moet houden.




