In een interview met Page Six op 19 september 2026 zei de 86-jarige Ringo Starr een zin die meteen de krantenkoppen haalde: hij denkt dat The Beatles weer bij elkaar zouden kunnen komen en nieuwe muziek zouden kunnen opnemen als John Lennon en George Harrison nog in leven waren geweest.
‘Ik denk dat we misschien ooit weer bij elkaar zouden komen — vanaf het moment dat John wegging tot nu, als iedereen er nog was geweest,’ zei de drummer. En hij voegde er eenvoudig aan toe: ‘En George… ik mis George.’
Dit is geen gerucht en geen speculatie. De directe woorden van de man die iedereen heeft overleefd behalve Paul McCartney. Lennon stierf in 1980, Harrison in 2001. De twee overlevenden hebben nog steeds een paar keer per maand contact, en soms eten ze samen wanneer Paul in Engeland is. Maar een reünie in volledige bezetting zal er nooit meer komen.
Waarom besloot Ringo juist nu deze gedachte uit te spreken? In 2026 wordt hij 86, Paul 84. Rondom hem zijn er de nieuwe biografische films van Sam Mendes, de tournees van de All-Starr Band, eindeloze heruitgaven en nostalgie naar een tijdperk dat slechts acht jaar duurde. De bekentenis klinkt als een stille slotsom: niet alleen ‘we waren groot’, maar ‘we hadden nog groter kunnen zijn als de dood er niet was geweest’.
Het ontroerendste hier is niet de droom van nieuwe liedjes, maar datgene wat Ringo het meest mist: vriendschap, ‘saamhorigheid’, steun. Hij, enig kind in het gezin, vond in de groep drie broers met wie ze ruzieden, het weer goedmaakten en ‘dynamiet’ creëerden. Deze familiale nostalgie slaat harder in dan welke commerciële speculatie over een reünie dan ook.
Vandaag, nu de twee laatste leden nog kunnen bellen of samen kunnen eten, herinneren Ringo’s woorden eraan: zelfs de luidste legendes komen uiteindelijk neer op een simpel menselijk ‘ik mis je’.
